exposing the dark side of adoption
Register Log in

Els Schelfout: In het belang van een kind

public
26-01-2009 (08:07)

In het belang van een kind

Als effectief lid van de senaatscommissie ‘Buitenlandse Betrekkingen, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking’, kreeg ik in april 2008 de kans om de Minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, en de Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Charles Michel, te vergezellen op een politieke missie naar de Democratische Republiek Congo. Collega’s van de Kamer, Georges D’Allemagne (CHD) en Hilde Vautmans (Open vld) en van de Senaat, Josy Dubié (Ecolo), namen eveneens aan deze missie deel. Net als heel veel mensen die vanuit allerhande niet politieke invalshoeken bij Congo betrokken zijn: NGO’s (Memisa, Artsen Zonder Vakantie, …) , wetenschappers, zakenlui en persmensen.
Doordat de missie zo uitgebreid was en uit vele ‘experten’ bestond, kregen mijn collega’s en ikzelf de kans om, naast de obligate contacten met Congolese parlementsleden en met diplomaten, on the field te gaan en het echte Congo te zien.

Dit ‘echte Congo’ heeft een heel diepe indruk op me gemaakt. Het heeft me geraakt, zo sterk dat ik het bijna fysiek voelde. Het is onder mijn huid gekropen.

Ik sprak met ex-kindsoldaten, enkele ‘gelukkigen’ die er in zijn geslaagd om aan de gruwel te ontsnappen. Ik heb in de ogen gekeken van soldaten, van rebellen, die met etterende wonden in vuile ziekenhuisbedden lagen te wachten op amputatie van één of andere verloren ledemaat. Ik heb in de ogen van een jonge mama gekeken, net bevallen van een tweeling. Ze was radeloos. Wie zou die twee kinderen voeden? Ik heb de leegte gezien in de ogen van gruwelijk verkrachtte meisjes. Verdriet dat met geen woorden te beschrijven is: het bestaat.
Ik heb gezien en gehoord hoe in een ziekenhuisafdeling ‘neonatologie’ – die naam nauwelijks waardig -, kleine schriele wezentjes van amper een kilo ‘licht’, jammerlijke kreetjes slaken, terwijl ze gele slijmen ophoesten. Ik heb in de ogen van een jonge vrouw gekeken, een hulpverlener in een vluchtelingenkamp te Bukavu. Een week eerder hadden rebellen haar collega de keel overgesneden. Hij wou voorkomen dat zijn zus werd verkracht.

En ik heb in de ogen gekeken van een kindje, in een bedje op de afdeling voor ‘allerarmste zieken’ in het Hôpital Provincial, het vroegere Mama Yemo, in Kinshasa. Daar verzorgt Zr. Angèle, een klein vrouwtje  van 82 jaar, haar zieken. Ze ontvangt hiervoor geen enkele financiële steun van het ziekenhuis, of van overheidswege. Ze doet dit met de steun van vele Vlaamse vrienden en sympathisanten en van enkele verenigingen en organisaties als de Damiaanactie, voor wie haar inzet en zorg ook niet onopgemerkt bleven.
Zr. Angèle vertelde dat de moeder van het kindje enkele weken geleden was gestorven. Het zou naar het weeshuis worden gebracht, omdat een ziekenhuis geen goede omgeving is voor een kind. Daar zou het de jaren die hem ‘gegund’ waren, doorbrengen in een ijzeren bedje. Primaire zorg, eten en drinken, zou hij krijgen. Liefde van een mama en een papa, van zussen en broers, vriendjes, school, liedjes en vrolijkheid… Wat dàt is, zou hij wel nooit weten.
Ik heb in de ogen van het kindje gekeken en gedacht: ‘hoe onrechtvaardig kan het leven zijn?!’.

Congo heeft me niet meer los gelaten. Ik deed wat ik kon, als politicus:
Ik pleitte voor het sturen van een Europese troepenmacht naar Oost-Congo en diende hiertoe een resolutie in, in de bevoegde commissie. Deze resolutie werd met eenparigheid van stemmen aangenomen in de plenaire vergadering van de senaat. Ik sprak op bijeenkomsten en steunde initiatieven over en ten voordele van seksueel misbruikte meisjes en vrouwen in Congo. Ik stuurde de bevoegde ministers aan tot het zenden van noodhulp naar Oost-Congo. Ik vroeg de regering om een kritische houding aan te nemen t.a.v. Rwanda, omwille van de verantwoordelijkheid van de Rwandese president Kagame en zijn vazallen Nkunda en Ntaganda in dit humanitair drama. Tijdens zijn regeerverklaring vroeg ik aan de nieuwe Eerste Minister, Herman van Rompuy, om Congo en de Congolezen niet te vergeten.
Ik deed wat ik, binnen mijn bevoegdheid als federaal parlementslid, mogelijk achtte, om mensen in een uitzichtloze situatie in een  land met zò veel tristesse, te helpen.

Het kleine, kansloze weesje liet me niet los. Na twee weken dubben en twijfelen, nam ik de telefoon om Zr. Angèle te bellen. En ik gaf geld voor haar mee, telkens wanneer vrienden naar Kinshasa vertrokken.

Ik vertelde mijn verhaal aan wie het horen wou en langs alle kanten stroomde steun toe voor Zr. Angèle. Vrienden en kennissen vroegen of en hoe ze financieel konden bijdragen, er werd medicatie gebracht, kleertjes, speelgoed…
Tegelijk onderzocht ik hoe ik Zr. Angèle en ‘haar zieken’ niet alleen door deze giften, maar ook op een andere manier, structureel, konden geholpen worden.

Ik ben minister De Crem, die mij - na een gemotiveerde aanvraag - de mogelijkheid gaf om mee te vliegen met een militaire vlucht naar Kinshasa, enkel en alleen om dit project te kunnen steunen, dankbaar. Hij deed daarmee niet meer of minder dan wat de vorige Minister van Defensie, André Flahaut, al deed: mensen om humanitaire reden toelaten mee te vliegen met een meestal halfvolle vlucht naar Kinshasa. Deze houding getuigt van warmhartigheid en medeleven in een departement waar men het – onterecht – te weinig verwacht.

Ondertussen nam mijn voornemen om het kleine ventje te helpen dat zò onder mijn huid en in mijn hart was gekropen, alleen maar toe.
Ik voerde lange gesprekken met mijn echtgenoot die niet had gevoeld wat ik toen voelde, die week in april, en die eigenlijk blij was dat we ‘uit de pampers’ waren. Maar hij weet wat mededogen is, en vaderliefde.
Ik informeerde me bij de Ambassade van België in Kinshasa, èn ik nam contact op met de juridische dienst van ‘Kind en Gezin’… Het zou een moeilijke weg worden, en de kans op slagen was minimaal, wist men mij te vertellen. Maar – gezien de situatie van het kindje, gezien zijn medische toestand - was het aanvragen van een humanitair visum de enige mogelijkheid.
Ik deed wat elke assertieve man of vrouw in mijn situatie zou doen: ik informeerde mij bij de bevoegde diensten. We zetten door en we vroegen een visum aan voor humanitaire reden.
De Dienst Vreemdelingenzaken oordeelde, na screening van het dossier, dat het kindje daar recht op had.

Hebben wij verkeerd gehandeld? We hebben een mensje dat geen kansen had, een kans gegeven.
Hebben wij de adoptiewetgeving omzeild? Neen, aangezien die niet van toepassing was.

Toch begrijpen we de reacties van adoptieouders, die vaak al zo lang wachten om hun kinderwens vervuld te zien. Ze hopen en wanhopen. Ze ondergingen vervelende en pijnlijke medische behandelingen, tevergeefs. Ze moeten hun ziel blootgeven, hun familie- en vriendenrelaties laten wikken en wegen, hun seksleven en hun financiële situatie uit de doeken doen. Dat allemaal om te krijgen wat anderen zo maar ten deel valt: een kindje.
We begrijpen hun reacties, want tien jaar geleden doorliepen we net als zij de procedure: de cursus, gesprekken met psychologen en maatschappelijk assistenten, zèlfs een verplicht bezoek aan een ‘opgelegde’ gyneacoloog viel ons ten deel. Kort nadat ons uiteindelijk een kindje werd toegewezen, een klein meisje van 9 maanden oud wiens naam ik nooit zal vergeten,  stierf zij. Enkele maanden later kregen we bericht dat Kalkidan (‘Promise’) ons dochtertje zou worden. Alles bij mekaar hadden we zo’n jaar of twee op haar gewacht en de moment dat de tijdelijke pleegmoeder haar in Addis Abeba in mijn armen legde, was prachtig.
We begrijpen de reacties van pleegouders.

Juist omdat ik hun terechte frustraties ken, ging ik vorig jaar, bij het begin van mijn politiek mandaat als senator en lang voor mijn eerste bezoek aan de DRC, in op een vraag die werd gesteld door een wanhopige kandidaat-adoptieouder.
Wetend dat adoptie geen federale bevoegdheid maar gemeenschapsbevoegdheid is, schreef ik toch een brief aan de bevoegde minister en stelde de veel te logge adoptieprocedure aan de kaak. Ik kreeg een antwoord: de wachttijden  waren te wijten aan de hoeveelheid aanvragen in een bepaalde regio, en aan een te kort aan personeel. Er zouden bijkomend mensen worden aangeworven om aan dit euvel te verhelpen.

De adoptieprocedure duurt al te lang, en ondertussen liggen kinderen als ‘ons’ meisje, en onze kleine Emile, in trieste omstandigheden te wachten. Soms halen ze het, soms niet. Hoe langer ze moeten wachten, hoe meer de kindjes vaak getekend zijn door het gebrek aan primaire zorgen, maar vooral door het gebrek aan aandacht en liefde. En hoe graag zouden hun mama’s en papa’s hier hen niet in de armen sluiten?
De adoptieprocedure duurt veel te lang, en ik zal alles doen om dit te veranderen. Met de steun van collega’s uit alle partijen en op alle politieke niveaus, hoop ik. En met de steun van mijn partij, een gezinspartij.

Maar ik huiver van politieke recuperatie in dit zo gevoelige dossier. Ik huiver van al te gemakkelijk electoraal gewin.
Ik haal mijn schouders op als ik mensen bezig hoor als Mieke Vogels (Groen!), ooit als Minister van Welzijn mee verantwoordelijk voor de vandaag geldende adoptiewetgeving. Als adoptieouders op de wachtlijst, schreven wij u brieven, mevrouw Vogels. Die bleven onbeantwoord.
Ik haal mijn schouders op als ik mensen als Else De Wachter (s.pa) hoor, kandidaat-adoptiemoeder en sinds jaren parlementslid op het bevoegde parlementaire niveau. Tot vandaag hield zij zich bezig met studentenhuizen en begraafplaatsen. Hoe jammer toch, mevrouw De Wachter, dat u ons verhaal nodig had om de procedure in vraag te stellen. Wat een gemiste kans voor al uw collega-kandidaat-adoptieouders.

Mijn echtgenoot, onze kinderen en ik zijn alle mensen die ons de voorbije dagen een hart onder de riem gestoken hebben, ontzettend dankbaar. Hun reacties betekenen onzegbaar veel voor ons.
En aan de zeldzame collega’s, Pol Van De Driessche en Tony Van Parys, die het aandurfden om ook in het oog van de camera in midden in de storm van de perceptie resoluut onze beslissing te steunen: dit vergeten wij niet.
Voor wie er nog aan mocht twijfelen, en voor u, Mevrouw de adoptieambtenaar, wij handelden in het belang van dít kind. Wij houden van hem.  En hij maakt ons heel gelukkig.  


Els Schelfhout
18 januari 2009


2009 Jan 18